“Hebben jullie die liedjes zelf geschreven?”

... is een vraag die we nogal eens na een optreden krijgen. Het antwoord? Nee! De Vloek speelt traditionele muziek uit de Lage Landen. We arrangeren de liederen, we voegen toe, laten weg, passen de tekst soms aan, (her)schrijven melodieën voor een brug, een refrein, een coda. Maar de kern blijft het oorspronkelijke Nederlandse volksliederenrepertoire.

Nederlandse volksmuziek?
Bij veel Nederlanders bestaat het idee dat ons land dat niet echt heeft, een eigen volksmuziektraditie. Tja… we hebben al die liederen toch echt gevonden in liedboeken, wetenschappelijke uitgaven, op liederenbank.nl, maar ook op folk-lp’s van de jaren vijftig tot tachtig, op cd’s uit de jaren daarna en zelfs op Spotify en YouTube. Natuurlijk, het is niet zoals in pakweg Ierland, waar iedereen de traditionals lijkt mee te kunnen zingen. Je moet ze hier in ons land met een lampje zoeken. Maar dan vind je ze wel. En dan blijkt er nog veel te zijn ook. Onze eigen volksmuziek is er altijd geweest en zal er ook altijd zijn. Steeds zijn er weer mensen die een bijdrage leveren aan die traditie. Door erover te schrijven, muziek te verzamelen of door zelf muziek te maken. Deze eerste plaat van De Vloek is onze kleine bijdrage.


I Curaçao

Koert: zang, gitaar
Pepijn: zang, gitaar
Patrick: cajon

Als je oude folkliedjes uit de Lage Landen bij de zee op plaat zet, moet er natuurlijk iets over water op staan. Wij hebben er maar liefst drie achter elkaar gezet, te beginnen met Curaçao, voor het eerst genoteerd in het liederenboek “De Twee Vrolyke Confraaters” uit 1795. Het lied vertelt het verhaal van een zeeman die maar moeilijk los kan komen van dat paradijselijke eiland in de Cariben. Hij zingt wel stoer dat hij vertrekt, maar of hem dat lukt?
In zijn bekende studie Terschellinger Volksleven (1950) noemt Jaap Kunst het een pittig lied, en die pittigheid kent liefhebbers tot op de dag van vandaag: heel wat shantykoren hebben het nog op hun repertoire staan. En terecht. Onze versie volgt de bekende tekst en melodie, maar we hebben er onder de motorkap flink aan gesleuteld.


Curaçao! 'k heb jou zo menigmaal bekeken
Maar al jouw loze streken, die staan er mij niet aan
Al jouw loze streken die staan er mij niet aan
Daarom ga ik vertrekken naar waar ik kom vandaan

't Kwam laatst, met haast, al door het hele straatje
Men sprak mijn lieve maatje! kom zet u hier wat neêr;
En neem nog maar een glaasje en rook een pijp tabak,
Met al die loze streken is het geld snel uit de zak.

Een zoen kan doen, de hele nacht te blijven,
Dan hoort men niet het kijven van onze Officier;
Zo raken wij aan 't dwalen zo dronken als een zwijn,
Het schip ligt voor de palen aan boord moeten wij zijn.

Maak los, de tros, de voor- en achtertouwen.
En wilt het maar aanschouwen wij gaan naar Holland toe,
Waar is ‘t beter leven dan bij de eigen vrouw?
Ik verzeg er al die vrouwtjes voor van 't land van Curaçao.


II Kaapren varen

Pepijn: zang, gitaar
Koert: zang, mandocello, octaafmandoline, mandoline
Patrick: cajon, zang

Kaapren varen is natuurlijk vooral bekend als liedje dat vroeger op school of thuis werd gezongen. En was het nou ‘Jan, Piet, Joris’ of ‘Jan, Pier, Tjores’? Het lied is begin twintigste eeuw pas opgetekend, maar waarschijnlijk veel ouder. Het vermoeden bestaat dat het over Jan Baert gaat, een Duinkerker kaper die het vak nog van onze Michiel de Ruyter leerde.
In de twintigste eeuw werd het echt een algemeen bekend lied toen het werd opgenomen in de zangbundel van Pollman en Tiggers (1941). Als socialist en katholiek gingen zij een voor die tijd unieke samenwerking aan. De bundel bleek enorm succesvol en werd ook veel gebruikt op kweekscholen, waardoor de liedjes hun weg naar de jeugd vonden. In 1965 zetten de Shepherds het op plaat en in 1974 konden de oudere jongeren ook weer ongegeneerd meezingen met het bekende kinderliedje, toen Fungus met hun versie zelfs een landelijke hit scoorde.
Wij hebben er een eigen versie van gemaakt door Whipping Post van The Allman Brothers (1969) er doorheen te vlechten. Op de schepen van de kapers werd immers ook menig matroos aan de mast gebonden om eens een flinke whip te ontvangen...

Allen die willen te kaapren varen
Moeten mannen met baarden zijn

Jan, Pier, Tjores en Korneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Pier, Tjores en Korneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Allen die ranzige tweebak lusten
Moeten mannen met baarden zijn

Allen die deftige pijpkes smoren
Moeten mannen met baarden zijn

Allen die met ons de walrus killen
Moeten mannen met baarden zijn

Allen die dood of de duvel niet duchten
Moeten mannen met baarden zijn

Allen die willen te kaapren varen
Moeten mannen met baarden zijn


III Langgewenste dag

Koert: zang, gitaar
Pepijn: banjo, zang
Patrick: percussie

Het derde zeeliedje op rij. Langgewenste dag is de weeklacht van een vrouw die haar man op zee moet missen. Ze verlangt hevig naar zijn terugkeer. Op de hoes van Wargarens ‘Met stille trom’ (1976) noemt Sido Martens dit lied ‘de prachtige (zo niet prachtigste) Nederlandse ballade […] die je stil maakt’. Genoeg aanbeveling om ons ook aan dit inderdaad prachtige, uit het midden van de 18e eeuw stammende, lied te wagen. In grote lijnen volgen we trouw de oude versie, maar het middendeel hebben we een afwijkende melodie gegeven.

O dag, o langgewenste dag
Waar menig mens naar wensen mag
Onze scheepjes komen binnen
Hetzij voor Hellevoet of Rotterdam
Of waar mijn zoetelief thuis kwam
En ik schei d’r uit met spinnen

Ik gooi dat spinnewiel aan de kant
Ik stak het liever in lichte brand
En ik schopte het met mijn voeten
Ik wil gaan kijken naar die schuit
Want m’n liefje komt daaruit
Hoe minnelijk zal ik hem groeten

Hoe minnelijk was die eerste brief
Die ik schreef aan m’n zoetelief
Heb jij die wel gelezen?
Je schreef m’n lief, m’n waarde pand
Dat zoete schriftje van jouw hand
Dat was tot mijn vermaken

Maar toen kreeg ik de laatste brief
Van jou, m’n zoetelief
Toen begreep ik pas de zaken
Mijn lief wat heb jij in de zin?
Of wil jij weer het zeegat in?
Of hier een huisje maken?

Haal dan uw zeilen spoedig in
En doe dan naar uw vrijsters zin
Zij zal geen jonkmans minnen
En als het ja-woord is gezegd
Dan is de knoop zo vastgelegd
En die is nooit meer te ontbinden


IV Vrouwtje van ‘s-Hertogenbosch

Pepijn: zang, gitaar, mondharmonica
Koert: zang, mandoline, octaafmandoline
Patrick: cajon

Ja, die winters van vroeger, dát waren pas winters! Dit typisch negentiende-eeuwse lied moet honderd jaar geleden behoorlijk populair zijn geweest. Er zijn geen liedbladen bewaard gebleven, maar in Limburg en Brabant tekenden Ate Doornbosch en Harrie Franken tientallen versies op. Ook tijdens de folkrevival, eind jaren zeventig, werd ‘het Vrouwtje’ regelmatig op lp gezet. Het is de versie van Dommelvolks ‘Ptazzie’ uit 1979 die ons inspireerde. Wij voegden er, na het vierde couplet, een instrumentaal tussenspel aan toe. Omdat wij het niet kunnen laten, hebben we in dat tussenspel voor het stervensproces van de hoofdpersonen een passende begeleiding geschreven, want dan zijn we toch allemaal in mineur!

Er was eens een vrouwtje uit ’s-Hertogenbosch
Met hare vijf kinderen, hun vader was dood
Met hare vijf kinderen nog zo klein
Ze ging bedelen langs de deur
Ze vroeg om een nachtje te slapen
Bij een rijke directeur

Zijn vrouw die heeft het haar toegestaan
Maar de man gebood haar om weg te gaan
‘Ach man wat kan het ons schaden
Als de vrouw slaapt in onze schuur
En zich ook even komt warmen
Een uur of twee, drie aan het vuur’

Die arme vrouw is toen verder gegaan
In de verte zag zij een schaapskooi staan
Daar is zij toen binnen gekropen
Met hare vijf kinderen in ’t strooi
Om eindelijk te kunnen rusten
Te slapen al in die kooi

Het was in de nacht, ja middernacht
De kindertjes schreiden van bittere smart
Maar de moeder sprak stop toch met wenen
Eer ’t haantje driemaal kraait
Zullen wij uit dit leven gaan scheiden
Zullen wij niet meer bedelen gaan

’t Was even na drieën de volgende dag
Toen die rijke vrouw aan die arme dacht
Zij is er toen even gaan kijken
Al in die schaapherderskooi
Daar vond zij zes koude lijken
Bevroren in het strooi

Die rijke vrouw is naar huis terug gegaan
Daar sprak zij haar man heel onvriendelijk aan
En begon er toen bitter te kijven
‘Ach man hoe zal ’t ons vergaan?
Eer onze ziel van ons lichaam zal scheiden
Zullen wij nog uit bedelen gaan’

Haar man is gaan dwalen door het veld
De boze geest die heeft hem gekweld
Gekweld, tot hij zich ging verhangen
Verhangen al aan een touw
Toen kreeg hij op beide zijn wangen
Een teken van de duivelse klauw


V Groenelandstraatjes

Pepijn: zang, gitaar
Koert: zang, octaafmandoline, mandoline, mandocello
Patrick: cajon

De Groenelandstraatjes, daar gebeurde het vroeger allemaal, daar op het liefdespad ontmoette je je liefje. Tegenwoordig zouden we het in sommige delen van het land “brommers kiek’n” noemen. De wortels van dit lied gaan terug tot in de zestiende eeuw. In Vlaanderen werd het eens genoteerd als een “Hollands lied”, maar het was geliefd van Noord-Frankrijk tot in Denemarken. In onze streken was het tot in de twintigste eeuw nog populair onder studenten.

Ik ben er de Groenelandstraatjes
Zo dikwijls ten einde gegaan
Daar heb ik mijn zoetlief verloren
Dat hebben mijn vrienden gedaan

Niet eerder dan gisterenavond
Stond ik voor mijn zoetlief haar deur
En ik zei ach liefje doe open
Doe open want ik sta er veur

Ik doe er je voorwaar niet open
Ik laat er je voorwaar niet in
Ga maar naar jouw huissie te slapen
Want er is nu een ander lief in

Is daar dan een ander lief inne
Dat ik er niet wezen mag
Dan wens ik jou voor het laatste
Nog eenmaal een vrolijke nacht

Maar meissie als jij komt te kramen
Wie zal er dan aan jouw kraambed staan
Wel mannetje dat zal hij wezen
Die zijn dingetjes goed heeft gedaan

Maar meissie als jij komt te sterven
Zal ik op jouw begrafenis zijn
Dan zal ik op jouw grafsteen schrijven
Hier ligt nog een zoetlief van mijn

VI Veensoldaten

Pepijn: zang, ukelele
Koert: zang, gitaar
Patrick: cajon

Het is 1933. In Duitsland wordt duidelijk wat de nazi’s van plan zijn met het land. Tegenstanders worden opgesloten in concentratiekampen, liefst ver weg van de bewoonde wereld. Langs de grens met Nederland, in de moerassige veengebieden, verrijzen vele kampen waar de politieke tegenstanders worden vernederd en onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken. Als op een dag gevangenen voorstellen om een bonte avond te organiseren om het leven wat draaglijker te maken, stemt de kampleiding daarmee in. Hoe leuk is het om je gevangenen te zien dansen en zingen! Op de bewuste avond wordt het lied ‘Moorsoldaten’ (letterlijk: ‘veensoldaten’) gezongen, wat door de gevangen echt wordt gevoeld als een daad van verzet. Hier worden de nazi’s openlijk te kakken gezet… De kampleiding beseft pas de volgende dag wat de tekst inhoudt en de politieke lading daarvan. Maar het is al te laat. Het lied is het kamp uit gesmokkeld en zal in de jaren dertig, nog voor het uitbreken van de oorlog, uitgroeien tot een belangrijk verzetslied in heel Europa: eerst tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), daarna tijdens de Tweede Wereldoorlog zelf en vervolgens zal het worden gezongen door vele groepen die zich verzetten tegen onderdrukking.
Voor ons genoeg reden om een Nederlandse versie te maken van dit belangrijke lied; onderdrukking in de wereld lijkt helaas niet te zijn afgenomen…

In welke richting wij ook kijken
Enkel veen en hei rondom
Vogelzang kan ons niet verblijden
Eiken staan er kaal en krom

Wij zijn de veensoldaten
En graven godverlaten
In het veen

Hier op deze woeste heide
Is de kampplaats opgebouwd
Zijn we ver van elke vreugde
Achter hekken weggestouwd

Heen en weer zo gaan de posten
Niemand, niemand kan erdoor
Vluchten zal je het leven kosten
Elke poging wordt gesmoord

Maar wij zullen niet verzaken
Het kan niet eeuwig winter zijn
Eens zal weer de vrijheid dagen
En is het land van jou en mij

Dan graven veensoldaten
Niet langer godverlaten
In het veen

VII Wijnglas

Koert: zang, gitaar
Pepijn: gitaar, zang
Patrick: cajon

In 1918 schreef liedjesschrijver Dirk Witte dit bittere protestlied als een felle aanklacht tegen de al vier jaar voortdurende oorlog. Ondanks de Nederlandse neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog zagen steeds meer mensen in, dat er zich hier niet ver vandaan een drama voltrok. De succesvolle kleinkunstzanger Jean-Louis Pissuisse gaf de liedjes van Witte, waaronder ook ‘Mens durf te leven’, in de jaren twintig meer bekendheid. Later zouden artiesten als Gerard Cox en Freek de Jonge nog putten uit Dirk Wittes repertoire.
Sinds 2022 is er weer oorlog in Europa, en dat maakt deze tekst tijdloos en relevanter dan ooit. We hebben aan Dirk Wittes lied weinig aan hoeven passen, maar wel voorzien van een instrumentale coda, een dans met de duivel, zo u wilt.

's Avonds lezen we in de kranten
Hoe het ging die dag aan 't front
Zoveel honderden gevallen
Zoveel duizenden gewond
Zoveel kinderen zonder vader
Zoveel moeders zonder kind
En we vragen wanneer eens toch
Die ellende een einde vindt

Maar des morgens - welk een vreugde
Lezen we in het ochtendblad
Dat er een banket geweest is
In de een of andere stad
Waar Lloyd George weer heeft gedronken
Op de welvaart van z'n land
Waar de oorlog werd gewonnen
Met het wijnglas in de hand

's Avonds lezen we in de kranten
Weer een boot getorpedeerd
Zoveel mensen uitgevaren
Zoveel maar teruggekeerd
Zoveel tonnen graan verloren
Zoveel monden zonder brood
Zoveel vrouwen, zoveel kinderen
Dichter bij de hongerdood

Maar des morgens - welk een vreugde
Lezen we in het ochtendblad
Van een rijk en deftig feestmaal
In de een of andere stad
Waar de "Kaiser" heeft gedronken
Op z'n leger, op z’n land
En "den Alten Gott" geprezen
Met het wijnglas in de hand

Elke dag brengt nieuwe ellende
Elke dag brengt nieuwe rouw,
Elke dag krijgt ons vertrouwen
In de mensen weer een knauw
Angstig vragen we hoe lang nog
Deze oorlogswaanzin duurt
Welke afgezant des duivels
Deze wereld toch bestuurt

Ernstig gaan de diplomaten
Naar feestmaal en banket
Satan heeft aan 't hoofd der tafel
Zich als schenker neergezet
En hij vult daar met grijnslach
Telkenmale tot de rand
Met het rode bloed der volkeren
't Willig wijnglas in hun hand


VIII Meisje van 18 jaar

Pepijn: zang, gitaren, ukelele
Koert: mandocello, mandoline, zang
Patrick: cajon

Ouderdom en auteurschap van dit lied zijn, zoals in de folkmuziek gebruikelijk, onbekend, maar in 1850 werd voor het eerst een versie op papier gezet. Verschillende folkgroepen hebben dit lied vanaf de jaren zeventig opgenomen (o.a. door Fungus, Wolverlei, Wannes Raps). Het is de ‘Bruidsdans’ van Wè-nun Henk uit 2007 die ons aanzette tot het maken van een eigen versie. We hebben hun tekst overgenomen, maar er wel een nieuwe melodie voor geschreven. Niet voor het middendeel trouwens: dat is de zeventiende-eeuwse ‘Dodendans’, een macabere naam voor een vrolijke dans die waarschijnlijk op bruiloften werd gespeeld. En wie in onze versie echo’s van Ennio Morricone en zelfs Pearl Jam meent te kunnen horen, wel…

Een meisje van achttien jaar
Dat vrijde met twee jonkmans
En de ene was een schipper,
De ander een ambachtsman

En dat meisje dacht bij zichzelve
Een schipper is nooit op het land
Ik laat er de schipper maar varen
En trouw liever die ambachtsman

En de schipper begon er te wenen
Toen ‘ie afscheid van haar nam
De duivel al jou halen
Als je trouwt met die ambachtsman

En de bruiloft werd er gehouden
Al in haar vaders huis
Daar kwam een ruiter gereden
Die spande daar zijn paard toen uit

Ik lust geen eten of drinken
Maar kom dansen met de bruid
Hij heeft haar bij de hand genomen
Danste d’r de deur mee uit

En hij danste haar tot een linde
En toen ‘ie achter dat boompje stond
Daar heeft hij haar hals omgewrongen
Ja, de tong hing uit haar mond

Haar armen afgesneden
En haar ogen uitgebrand
Ja, dat gebeurt er met de meisjes
Die de jonkmans brengen tot schand